Biometrie: Kenmerken van het zijn,
kenmerken van het zijn gebruiken
Identificatie en authenticatie blijven kardinale maar problematische kwesties. Nu partijen elektronisch steeds dichter bij elkaar komen maar voor elkaar steeds meer onzichtbaar blijven, en daardoor de controle moeilijker wordt, komen na tijdenlang in de onderzoekssfeer te hebben verkeerd biometriehulpmiddelen naar voren. Deze kunnen helpen om naast kennis en bezit ook het zijn als bron van authenticatie te vormen. Mits een aantal drempels wordt weggenomen en de selectie en implementatie netjes worden afgehandeld.
ABN AMRO Bank
Jurgen van der Vlugt
Versie 1.1 27 april 2003
Inleiding
Fasen van inzet
Betrouwbaarheidscriteria
Technieken
Voor: authenticatie van de bron aan de bron met de bron
Drempels
Wegnemen drempels
Een voorbeeld: de stadionpas
Kómt er nog wel een doorbraak?
Overwegingen voordat van start wordt gegaan
Afsluitend
Literatuur
Noten
Over de auteur
Printvriendelijke versie
De laatste jaren begint het helaas steeds gemakkelijker te worden om in te breken op communicatieverbindingen, mede omdat die verbindingen steeds minder afhankelijk zijn van hun fysieke karakteristieken. Waar het voorheen bijvoorbeeld nodig was om een telefoonkabel op te graven om die te kunnen afluisteren (of aan een eindpunt of telefooncentrale in te breken om er een tap te plaatsen), kan tegenwoordig vanaf de eigen zolderkamer een Internet-verbinding aan de andere kant van de wereld worden gevolgd en zelfs in die verbinding worden ingegrepen.
Dit betekent dat de integriteit en vertrouwelijkheid van de (elektronische) communicatie in het geding is. Maatregelen tegen de bedreigingen zijn zeer wel denkbaar - al zijn cryptografische methoden en technieken door implementatieslordigheden nog niet vanzelfsprekend waterdicht, en zijn ze soms moeilijk implementeerbaar en wordt de techniek door toenemende rekenkracht altijd wel eens achterhaald.
Een bijkomend probleem ontstaat doordat de elektronische communicatie steeds verder doordringt in de dagelijkse manier van werken. Wie aan e-commerce doet, zal - al was dat misschien niet in eerste instantie de bedoeling - al snel merken over de gehele wereld zaken te doen. En dat betekent een navenant stijgende behoefte aan informatie over de betrouwbaarheid van zakenpartners en consumenten. Daaraan valt gedeeltelijk tegemoet te komen door het gebruik van - noodzakelijkerwijs uitgebreide - netwerken van Trusted Third Parties en Certificate Authorities.
Ook voor die partijen blijft echter het probleem: hoe vast te stellen dat degene die zich meldt met een verzoek om authenticatie, ook daadwerkelijk die persoon is en geen ander?
De authenticatie aan de bron die bij elektronische zaken nodig is, treffen we ook dichter bij huis aan. Denk maar aan credit cards en PIN-passen. Waar bij credit-cardbetalingen een handtekeningcontrole vaak ostentatief wordt overgeslagen, dwingen geldautomaten en betaalautomaten nog tot het invoeren van PIN-codes. Maar of dit soort waarborgen voldoende is? De nogal vaak (in de mond-tot-mondpubliciteit) voorkomende gevallen beziend waarbij met valse adreswijzigingen en valse aanvragen voor nieuwe passen (met PIN-codes) wordt gesjoemeld, moet worden geconcludeerd dat authenticatie op basis van kennis (wachtwoord, PIN-code) en bezit, nog niet waterdicht is. Nota bene: bij computersystemen was het normaal om eerst alleen met user-ids en wachtwoorden te werken, tokenkaarten en dergelijke kwamen voor authenticatie op basis van bezit pas later in beeld. Terwijl met creditcards de belofte van betaling juist al decennia zo'n beetje alleen maar op basis van bezit werd geauthenticeerd.
De band met de fysieke persoon is dus nog niet onlosmakelijk. Waar zijn de tijden dat men een wederpartij op diens blauwe ogen kon vertrouwen? Die tijden zijn terug.
Biometrie, de kunde die zich bezighoudt met het vaststellen van identiteit op basis van unieke waarden voor biologische eigenschappen, bestaat al een tijdje. Het begon al met handtekeningen en/of zegelstempels, waarvan het uitgangspunt was dat die slechts door de 'eigenaar' zelf konden worden (zijn) gezet; het handschrift of de zegelring werden geacht niet te kunnen worden nagemaakt. In de jaren '60 ('... van de vorige eeuw'!) begon de ontwikkeling van apparaten waarmee ook de veel meer unieke drukpatronen van handtekeningen konden worden herkend, en doken in science-fictionfilms vingerafdruk- en handpalmherkenners op. Zoals altijd bleken die films maar net een stapje verwijderd van wat state-of-the-art was. En toen werd het een tijdje stil.
Nu plotseling echter is er een aanzwellende stroom van commerciële biometrieproducten, niet alleen van marginale researchbedrijfjes maar ook van alle grote spelers op de IT-markten. Derhalve is het tijd voor een overzicht van wat er kan en niet kan.
Deze white paper behandelt eerst de fasen van inzet, betrouwbaarheid en technieken die heden ten dage voorhanden zijn. Daarna komen de doelen van biometrische hulpmiddelen aan bod. De middelen en doelen leveren enkele generieke drempels en toepassingsrichtingen, waaruit overwegingen volgen die voorafgaand aan het enthousiast toepassen van biometrie zouden moeten worden geadresseerd.
Terug naar inhoudsopgave
De inzet van biometrie kent, na de systeemontwikkeling en -implementatie in engere zin, twee fasen:
- Enrollment. In deze fase worden de gebruikers in het systeem opgevoerd om later te kunnen worden herkend. Dit gebeurt door een soort nul-meting te doen die leidt tot een eerste, vast te leggen meetwaarde (template, (gehashte) referentiewaarde).
Dit is een kritieke fase. Op een of andere wijze moet worden zekergesteld dat gebruikers zich niet veelvuldig aanmelden, bijvoorbeeld door de ene maal de linkerwijsvinger te gebruiken en de andere keer de andere. Dit lijkt eenvoudig, door bijvoorbeeld een paspoort te vragen voor vergelijking van unieke (?) naam en pasfoto, maar een paspoort is, zoals vele politici bekend is, vrij eenvoudig te vervalsen. Hierdoor ontstaat het risico met een vervuilde verzameling combinaties van eventuele kennis, bezit en zijnswaarden te beginnen.
(Na enrollment kan 'binning' plaatsvinden; het sorteren van de database op biometrische waarden. Dit versnelt het latere opzoeken.)
- Gebruik. Hierin zijn drie stappen te onderkennen:
- Collection: het proces van het meten van de biometrische eigenschap, en het omzetten ervan in een binaire representatie. Op dit grensvlak van analoge en digitale techniek, op de grens van hardware en software, biedt zowat iedere leverancier zijn eigen standaard aan;
- Comparison: de vergelijking van de binaire representatie met een opgeslagen waarde. Indien het gaat om een eigen opslagmedium (zie onder), kan dit razendsnel. Indien echter wordt gematcht tegen een (grote) database, kan nogal wat - hinderlijke - vertaging ontstaan. Het simpelweg eerst vragen van een user-id kan natuurlijk het zoeken aanzienlijk versnellen;
- Pass/fail: de beslissing of de gemeten representatie voldoende nauwkeurig overeenkomt met de meest passende c.q. op basis van aangedragen user-id gevonden waarde.
In bovenstaande wordt een onderscheid genoemd tussen toepassingen die zijn gebaseerd op een (centrale) database met biometrische gegevens, en toepassingen met een eigen opslagmedium. Dit onderscheid heeft theoretische en praktische consequenties.
Op het theoretische vlak geeft een database het voordeel van het centraal bijeen hebben van biometrische en ander gegevens, die daardoor eenvoudig onderling vergelijkbaar zijn en blijven. Dit maakt zowel het schonen van de database mogelijk (ontdubbelen, op basis van naam of op basis van extreem nauwkeurig overeenkomende biometriek) als het vaststellen van de toegestane c.q. vereiste foutmarge in de meting.
Mocht bijvoorbeeld, meer praktisch, blijken dat voor een zekere gemeten waarde plus of min de toegestane foutmarge misschien wel tien kandidaat-identiteiten in de database aanwezig zijn, dan kan het onderscheidingscriterium worden versmald. Bij het niet vinden van een juiste opgeslagen waarde binnen de vastgestelde foutmarge, zou door hermeting alsnog een waarde kunnen worden gevonden of door het opvragen van aanvullende gegevens (user-id) alsnog een waarde worden gevonden.
Tevens kan bij een centrale database biometrie als extra authenticatie worden ingezet, bijvoorbeeld als authenticatie van de identificatie door middel van user-ids en eventueel passwords.
Daar staat tegenover dat het idee van een centrale database op nogal wat, terechte en onterechte, bezwaren stuit; zie hieronder (Drempels). Een oplossing is om de opgeslagen, uit de enrollment volgende initiële waarde, niet in een database onder te brengen maar aan iedere gebruiker individueel mee te geven.
Hiervoor zijn vele middelen voorhanden, de bekendste zijn smartcards en polsbanden. Indien die in respectievelijk dicht genoeg bij een leesapparaat worden gehouden, kunnen ze worden uitgelezen en de ter plekke gemeten biometrische waarde kan worden vergeleken op voldoende overeenkomst met slechts die ene waarde. De vergelijking laat in dit geval vaak een wat grotere tolerantie in de vergelijking toe omdat sprake is van authenticatie van de anderssoortige identificatie (user-id) en dus nauwelijks verwarring met andere gebruikers mogelijk is.
Deze manier van werken brengt een additioneel voordeel met zich mee: de drager van de enrollment-meetwaarde doet tevens dienst als identificatie door bezit. De asielzoekers in Nederland kennen reeds het Elektronisch WeekDossier dat identificeert met smartcard en vingerafdruk. Maar de Schiphol Travel Pass volgens hetzelfde idee (voor 'frequent flyers' die ermee sneller door controles konden), is buiten de belangstelling geraakt; wellicht was de overhead toch relatief te groot.
Een nadeel is dat er nog steeds sprake moet zijn van een eerste enrollment, om de biometrische uitgangswaarde (template) op het medium te krijgen. Dubbelen zijn heel wel mogelijk, en bij gebrek aan mogelijkheid tot centrale doorlichting, uiterst moeilijk op te sporen. Dit kan ook, bijvoorbeeld bij compromittatie, een voordeel zijn.
Terug naar inhoudsopgave
Een belangrijke factor die telkens weer opduikt, is de betrouwbaarheid van biometrische systemen. Die is uit te drukken in diverse technische maten False Rejection Rate en False Acceptance Rate. Helaas - juist de zo nauwkeurige biometrische systemen geven geen nauwkeurige uitslag (?). Waar user-ids en wachtwoorden ten minste nog goed of fout zijn, een tussenweg is er niet, geven biometrische systemen wegens de meting van analoge eigenschappen een wat minder duidelijk antwoord.
De False Rejection Rate (FRR, Type-I-fout) is de kans dat een aanmelder ten onrechte wordt afgewezen op basis van de biometrische meetwaarde. Het doel is deze zo laag mogelijk te houden, om te voorkomen dat gebruikers klagen over onterechte afwijzingen. Dit vraagt om zo groot mogelijke meetmarges, zeker omdat rekening moet worden gehouden met veranderlijkheid van persoonlijke biometrische kenmerken, in de tijd en wegens de klimaatomstandigheden. Bovendien kan de technische kwaliteit van een systeem de meetmarge nog groter maken dan nodig zou zijn c.q. toelaatbaar is.
De False Acceptance Rate (FAR, Type-II-fout) is de kans dat een aanmelder ten onrechte wordt geaccepteerd op basis van de biometrische meetwaarde. Het doel is deze zo laag mogelijk te houden, omdat uniciteit van de identificatie en authenticiteit wordt nagestreefd. Dit betekent een streven naar zo klein mogelijke meetmarges, ondanks de veranderlijkheid van biometrische karakteristieken.
Een derde maat die wordt gebruikt, is de Equal Error Rate (ERR), die het punt aangeeft waarbij de FAR en FRR even groot zijn, hetgeen afhankelijk is van onder andere de toegestane meetmarge. De EER hangt samen met de D Prime-maat die aangeeft hoe 'goed' een middel twee individuen uit elkaar kan houden; een hogere D Prime is beter.
De False Acceptance, False Rejection en Equal Error Rate zijn in figuren 1 en 2 weergegeven.
Figuur 1. False Acceptance, False Rejection.
Sommigen in de biometriewereld werken met verwante, maar net wat andere begrippen. FAR en FRR richten zich namelijk op slechts een deelverzameling van de toepassingen. Een Type I-fout kan namelijk ook zijn wat juist wordt gezocht bij bijvoorbeeld fraudebestrijding: als een persoon die een enrollment wil in bijvoorbeeld een database van een sociale dienst, een biometrische waarde heeft die reeds in de database voorkomt, en een match geeft ('juiste persoon' in termen van figuur 1), dan willen we juist dat dit tot een Afwijzing leidt. (Dergelijk gebruik heet een Type B-applicatie, in tegenstelling tot de gangbare Type A-applicaties.) Andere toepassingen kunnen op eenzelfde manier een wat ander beeld geven. Vandaar dat in situaties waar een en ander niet vanzelfsprekend duidelijk is, de termen 'false match' en 'false non-match' worden gebruikt; die zijn dan begrijpelijker.
In figuur 2 is de invloed van fysiologische veranderingen en de daarvoor vereiste meetmarge weergegeven. Duidelijk is dat een grotere veranderlijkheid een grotere meetmarge vereist om niet te veel false rejections te krijgen maar dat dan anderzijds de false acceptance ook toeneemt.
Het streven zal dus moeten zijn naar (door meetomstandigheden, veroudering en dergelijke) niet of nauwelijks veranderende biometrieken zodat de variantie afneemt en de meetmarge omlaag kan. Tevens is het zoeken naar biometrische kenmerken die zo uniek identificerend mogelijk zijn, zodat de getoonde curves verder uit elkaar zullen liggen - liefst helemaal geen overlap vertonen - en ongeacht de meetmarge de FAR en FRR laag zullen zijn.
Figuur 2. Variantie van meetwaarden, meetmarge, false acceptance/rejection en EER.
Terug naar inhoudsopgave
De heden ten dage voorhanden systemen baseren zich op de volgende biometrische kenmerken, te onderscheiden naar fysieke en gedragskarakteristieken:
Fysieke karakteristieken
- Handtekeningen. Een klassieke; uitgangspunt was altijd dat die redelijkerwijs uniek was en niet eenvoudig na te maken (1). Tegenwoordig is met name dat laatste een serieus probleem aan het worden. Niet alleen kan men door oefening een aantal handtekeningen vrij vloeiend neerzetten, ook wordt steeds meer een fax met handtekening geaccepteerd. Daarvan is niet meer af te lezen of die niet vanaf een (ander) geldig document is ingescand en eenvoudigweg weer uitgeprint.
- Vingerafdrukken (dactyloscopie). In principe een bekende methode en voor wat betreft zichtherkenning via inktafdrukken in grootschalig gebruik reeds sinds 1800 v.C., in Babylonië en China, en later ook in Europa, als handtekening (authenticatie) en in justitiële kringen voor identificatiedoeleinden. Tot voor kort was ook niet echt sprake van biometrie in de zin die in deze white paper wordt bedoeld; de vingerafdruk werd/wordt op zicht op een aantal karakteristieke punten vergeleken zonder dat een werkelijke unieke waarde (getal) werd berekend. De tegenwoordige automatische vergelijkingen op grote schaal die mogelijk blijken - de FBI doet het al vele jaren -, duiden echter op het (alsnog) gebruiken van biometrie.
De laatste paar jaar komen steeds eenvoudiger bruikbaar en goedkopere vingerafdruklezers op de markt. Siemens levert bijvoorbeeld al toetsenborden met ingebouwde lezer, die een simpele login mogelijk maken. De Spaanse sociale dienst gebruikt reeds authenticatie op basis van vingerafdrukken, om dubbelen te voorkomen.
- Handvorm- en palmlezers. Ook in (het totaal van) de twee- of driedimensionale vorm van de hand (totale maten, maten en plaats van vingers en knokkels) blijken voldoende unieke (combinaties van) kenmerken voor te komen. Handpalmlezers bepalen net als bij vingerafdrukken de - voldoende unieke - patronen van handlijnen. Zie de science-fictionfilms waarin toegang tot geheime gangen wordt verleend met handpalmlezers; dat is kennelijk voldoende onderscheidend voor identificatie. Disney World gebruikt reeds handscanners voor de identificatie van abonnementshouders, Lotus gebruikt handvormlezers voor identificatie van afhalers bij de companycrèche, en Coca-Cola gebruikt hier en daar handvormlezers in plaats van de prikklok.
Handpalmlezers voor het openen van deuren etc. richten zich (kennelijk) met name op identificatie, van authenticatie is vaak geen sprake, noch als doel van de handpalmlezer noch aanvullend met bijvoorbeeld een kennis- of bezitskenmerk. Zie bijvoorbeeld de haven van Rotterdam: vrachtwagenchauffeurs die containers komen afhalen, dienen een chipcard (met hashwaarde) en hun linkerhand te presenteren om toegang te krijgen tot de terreinen.
Een variant is de vingerherkenner, die een driedimensionaal beeld van de vinger kan lezen.
- Iris- en netvliespatronen (iris- en retinascanners). Deze apparaten lezen met behulp van de reflectie van een lichtbundeltje de unieke (ader)patronen op de iris of op het netvlies, en vertrouwen dus in wezen op de blauwe ogen van de gebruiker. Een voordeel is dat geen fysiek contact met het leesapparaat (een camera) nodig is. Fabrikanten laten niet na erop te wijzen dat dit geen schade geeft, dit is niet voor niets; de angst daarvoor weerhoudt acceptatie (vooralsnog?). Deze methoden blijken de beste, omdat de gelezen patronen redelijk uniek blijken. Dat wil zeggen, 98% zekerheid van identificatie van de juiste persoon blijkt haalbaar. Wie een blauw oog is geslagen, komt er dus waarschijnlijk niet in. Een combinatie met identificatie op andere basis zal uiteraard een veel hogere zekerheid van authenticatie kunnen bereiken. Een aantal Amerikaanse gevangenissen en kerncentrales (gemene deler: hoge veiligheidseisen) werkt reeds met irisscanners. En er zijn ook andere nadelen, zie hieronder.
Een variant op deze methoden leest het unieke infraroodabsorptiepatroon van de pols, en leidt daaruit het aderpatroon af. Voorwaar een aantrekkelijke optie, want het leesapparaat kan in een horloge worden verwerkt.
- Gezichtsvormherkenning. De middelen die hiervan gebruikmaken, bepalen een aantal (sommige tot negentig) dimensies van een (cameraopname van een) gezicht en vergelijken die met opgeslagen profielen. Om in termen van de betreffende systemen te blijven: de Eigenface en Eigenhead worden bepaald. Roodkapje slaagde er echter niet zo goed in: "Maar oma! De vormkenmerken van uw mond en tanden komt niet overeen met het profiel dat ik in mijn geheugendatabase had opgeslagen!"; "Ja m'n kind, template aging (veranderen van biometrische karakteristieken in de loop der jaren, red.) is mogelijk...", maar de systemen die nu commercieel beschikbaar zijn, claimen zelfs van brillen, make-up en een weekendbaardje geen last te hebben. Een extra complexiteit (?) is dat in deze categorie systemen steeds meer wordt gebruikgemaakt van kunstmatige intelligentie, waarvan de sterkten en zwakten nog zullen moeten blijken. De werking zal toch bij voorkeur via een deterministisch proces moeten gebeuren vanwege de controleerbaarheid en herhaalbaarheid die bij bijvoorbeeld claims zal moeten worden aangetoond.
- Gezichtswarmtebeeldherkenning. Deze methode is vergelijkbaar met de vorige, maar bepaalt niet de zichtbare dimensies maar karakteristieken van een infrarood-warmtebeeld. Hiermee wordt voorkomen dat zomaar een foto voor de camera wordt gehouden. De basispatronen in het warmtebeeld van een gezicht blijken namelijk redelijk constant, ondanks invloeden van schommelingen in de omgevings- en in de gezichtstemperatuur.
Gedragskenmerken
- Er is een ontwikkeling te zien waarbij niet meer het uiterlijk maar het karakteristieke drukpatroon van het zetten van een handtekening het echtheidswaarmerk is. Opvallend is dat deze ontwikkeling eigenlijk al decennia loopt en kennelijk nog steeds slechts met moeite marktrijp is te maken. Dat een meegedragen of in centrale database opgeslagen normwaarde voor het drukpatroon tot voor kort moeilijk realiseerbaar was, kan hier debet aan zijn; de eenvoudig-leesbaarheid van credit cards zal opslag van het patroon op de magneetstrip daarvan, te simpel vervalsbaar maken. (Terwijl de minieme ruimte voor een vaak halfversleten handtekening in inkt op de achterzijde van een card kennelijk wel helpt...)
Bovendien zal leesapparatuur nodig zijn in situaties waar voorheen een gewone pen van een dubbeltje inzetbaar was. Dit kan een drukgevoelige plaat zijn waarop moet worden getekend en sinds kort is er ook een pen verkrijgbaar die de drukmetingen kan verrichten.
Een ander nadeel is dat een handtekening bij uitstek onderhevig is aan wijziging in de tijd, en de toleranties (zie hieronder) dus hoog moeten zijn.
- Toetsaanslagdynamica (keyboard ballistics). Juist passwords en andere familiaire tekst blijken door de rechtmatige eigenaar met een zeer specifiek ritme te worden ingetypt. Door deze snelheids- (en druk)patronen te vergelijken met het opgeslagen profiel - hoe handig, als toch het ingetypte user-id en password moeten worden opgezocht - kan wederom bij de kennis van (user-id en) het password een zijnskenmerk worden vergeleken.
- Ten slotte is er stemherkenning. Dit is nota bene wel wat anders dan spraakherkenning. Bij stemherkenning gaat het om de herkenning van de eigenaar van het stemgeluid (in casu van de karakteristieke frequentiecombinaties daarvan), bij spraakherkenning gaat het om woordherkenning n'importe wie de woorden uitspreekt - sterker nog, spraakherkenning wordt zo accentinvariant mogelijk gemaakt terwijl de hier bedoelde stemherkenning juist zo specifiek mogelijk wil zijn. Canadezen die regelmatig Montana inreizen, kunnen inmiddels door middel van stemherkenning allerlei paspoortpoespas vermijden.
Uiteraard zijn naast 'text-dependent' middelen (die een vaste tekst vragen, bijvoorbeeld een password) ook 'text-prompted' (challenge-responsesystemen) ontwikkeld, alsmede 'text-independent' systemen waar de gebruiker gewoon voor de vuist weg wat kan vertellen.
Met name bij gedraggeoriënteerde systemen is er een risico op 'goats': gebruikers wier gedragspatroon zodanig varieert dat ze ten onrechte door een systeem niet zullen worden herkend. Ook fysiek georiënteerde systemen kunnen hier last van hebben, al zal het deel 'sheep' die binnen een gedefinieerde marge zullen blijven, groter zijn.
Gedraggeoriënteerde systemen bieden tevens de mogelijkheid emoties te bepalen. Hiervoor worden de drie dimensies van emoties - reacties op externe stimuli - bepaald:
- sterkte, overeenkomend met de mate van aandacht (aantrekking-afwijzing);
- valentie, overeenkomend met de mate van positieve of negatieve waardering;
- activiteit, variërend van slaap tot spanning.
Activiteit is het meest eenvoudig te bepalen, het is immers de meest uiterlijke vorm van emotie. De andere twee zijn eerder innerlijk. In lijn met [Keif96] geeft [Hes99] een volgende overzicht van de invloed van emotie op biometrische kenmerken, zie tabel 1.
| |
Woede |
Blijheid |
Droefheid |
Angst |
Afkeer |
| Spreeksnelheid |
Lichtelijk sneller |
Sneller of langzamer |
Lichtelijk langzamer |
Veel sneller |
Veel langzamer |
| Toonhoogte gemiddeld |
Veel hoger |
Veel hoger |
Lichtelijk hoger |
Veel hoger |
Veel lager |
| Toonhoogte-spectrum |
Veel breder |
Veel breder |
Lichtelijk smaller |
Veel breder |
Lichtelijk breder |
| Intensiteit |
Hoger |
Hoger |
Lager |
Normaal |
Lager |
| Stemkwaliteit |
Hijgerig,
uit de borst |
Hijgerig, roepend |
Resonerend |
Onregelmatig |
Mompelend, uit de borst |
| Toonhoogtewijzigingen |
Abrupt, op klemtonen |
Vloeiend, opwaarts |
Neerwaarts |
Normaal |
Sterk, neerwaarts |
| Articulatie |
Strak |
Normaal |
Weinig |
Precies |
Normaal |
Tabel 1. Emoties en invloed op biometrie.
Uit oogpunt van privacy is het wellicht ongewenst om emoties te kunnen laten detecteren, uit oogpunt van (e-)commercie kan het zeer gewenst zijn. Het kan immers een aanzienlijke toegevoegde waarde bieden de emotie van de potentiële koper te kennen, bijvoorbeeld om die met multimediamiddelen te beïnvloeden in de richting van een koop.
Bij al deze technieken valt op dat toepassing in de praktijk vaak nog alleen mogelijk is met de biometrieklezer die fysiek, maar ten minste logisch, dichtbij de centrale database c.q. het controlemechanisme. Dit om snel de gemeten waarde of de opgeslagen tegenwaarde te kunnen opzoeken en om te voorkomen dat er weer allerlei communicatiekanalen moeten worden gebruikt die eventueel kwetsbaar zijn, bijvoorbeeld voor een Man in the Middle of een Denial-of-Service-aanval. Het tegendeel hiervan, met de vergelijkingstest juist ver weg - en 'off-line' - in een laboratorium, is:
De exotische toepassing van het gebruik van oorvormen zal vooralsnog maar buiten beschouwing blijven.
De inherente sterktes en zwaktes van al deze technieken zijn niet eenvoudig onderling vergelijkbaar wegens de grote afhankelijkheid van meetomstandigheden (incidentele nauwkeurigheid van meetwaarden) en de kwaliteit van de implementaties (aantallen meetpunten, systematische nauwkeurigheid van meetwaarden in de software). Toch zijn kort-door-de-bocht, dus onder voorbehoud van de nodige voorzichtigheid, wel enige onderlinge verhoudingen te schatten; deze zijn weergegeven in figuur 3. Bij voortschrijdende techniekverbeteringen zullen de biometrieken naar rechtsboven in de figuur schuiven.
Figuur 3. Onderlinge kwaliteitsverhoudingen (naar [Stee98]).
Voor latere selectie, implementatie en gebruik van middelen is het behulpzaam tevens de classificatie te hanteren die door de San José State University (SJSU) is samengesteld. De SJSU-classificatie wordt breed erkend en gehanteerd als gemeenschappelijk begrippenkader. De indeling onderscheidt de middelen naar:
- coöperatief versus non-coöperatief: of de gebruiker medewerkend zal zijn of niet. Als de gebruiker waarden wil afschermen, zal hij willen meewerken; als hij/zij eventueel door de mand valt als fraudeur, zal dat 'wat minder' het geval zijn. Dit heeft consequenties voor het al of niet 'fool proof' (2) moeten zijn van het gebruik;
- openlijk versus verborgen: de meeste toepassingen zullen openlijk, duidelijk zichtbaar zijn. Soms kan uit oogpunt van fraudepreventie echter juist het 'ongemerkt' gebruik van biometrie nodig zijn;
- gewende versus nieuwe gebruiker: een gebruiker die regelmatig biometrische metingen ondergaat, kent de procedure en zal, bijvoorbeeld, zijn hoofd stilhouden voor een warmtebeeldopname. Een gebruiker die een en ander niet is gewend, zal hier minder op letten;
- onder toezicht versus vrij: bij metingen onder toezicht (c.q. met hulp) van een ervaren gebruiker, instructeur of controleur is er minder opleidingsbehoefte dan bij systemen waar (ook nieuwe) gebruikers hun gang kunnen gaan;
- standaardomgeving versus niet-standaardomgeving: een standaardomgeving kent minder storing door fysieke omgevingsfactoren; bij een niet-standaardomgeving tellen die nogal eens zwaar mee in de betrouwbaarheid.
Terug naar inhoudsopgave
|
Een voornaam aspect dat een rol speelt, is het verschil tussen vertrouwelijkheid en exclusiviteit. Vertrouwelijkheid houdt in dat een verzonden bericht niet anders dan bij de bedoelde ontvanger(s) terechtkomt; logisch gezien dus een veel-naar-eenrelatie. Vertrouwelijkheid speelt daarom zo'n belangrijke rol bij bijvoorbeeld e-commerce voor consumenten: liefst zo veel mogelijk klanten willen ervoor zorgen dat hun credit-cardgegevens alleen bij één Internet-boekhandel terechtkomen. Exclusiviteit gaat verder, en doelt op een een-op-eenrelatie.
Om het nog even recht te zetten: de bedoeling van (separate) authenticatie is een-op-veel, althans, zorgen dat dat 'een' aan wie dan ook duidelijk wordt. Ziedaar de reden om vertrouwelijkheid en authenticatie te combineren. En, mede belangrijk om in het achterhoofd te houden, authenticatie betekent meestal authenticatie van de identificatie; een garantie dat de identificatie - door de initiator of door de ontvanger - juist is.
Figuur 4. Communicatiepijplijn.
In figuur 4 is de communicatiepijplijn (vereenvoudigd) schematisch weergegeven, voor een gebruiker die vanaf zijn toetsenbord, links in de figuur, en PC een (trans)actie wil uitvoeren op een server, rechts, of aan een ontvanger aldaar een bericht wil doorgeven. Op de PC zelf zal al, door identificatie/authenticatie, moeten worden zekergesteld dat alleen de juiste gebruiker / zender acties of een bericht kan invoeren. Vervolgens zal, door encryptie, moeten worden voorkomen dat op het netwerk wordt afgeluisterd, een Man in the Middle een bericht oppakt en gemodificeerd doorstuurt, of dat de Man in the Middle zorgt dat het bericht bij de verkeerde ontvanger terechtkomt.
Bij de server aangekomen, zal moeten worden gecontroleerd dat het bericht ongestoord op het netwerk heeft kunnen reizen; vandaar de herhaalde authenticatie. Gelukkig zal zelden alleen authenticatie van de bron-PC plaatsvinden maar zal ook de feitelijke gebruiker opnieuw worden geauthenticeerd. Het grote probleem is echter hoe kan worden zekergesteld dat een ontvangen bericht werkelijk van de aangegeven afzender stamt, en niet van een valse gebruiker, een overgenomen PC of een Man in the Middle.
Op de server zelf zal ten slotte autorisatie moeten worden gegeven, zowel aan de zender, om überhaupt een bericht te mogen aanleveren c.q. de gewenste transactie te mogen uitvoeren, en aan de ontvanger, om het bericht c.q. de transactie op te nemen.
Het risico van inbraak is met identificatie/authenticatie, encryptie en autorisatie nog niet gemitigeerd. Een inbraak op de PC kan betekenen dat maatregelen verderop in/op de pijplijn buiten werking worden gesteld, en dan bijvoorbeeld een Man-in-the-Middleaanval (vanaf een willekeurige PC) mogelijk maken. En een inbraak op een server kan uiteraard de autorisatie buiten werking stellen doordat de inbreker zich weet te presenteren als een geautoriseerde gebruiker - een lek op de server betekent immers dat er van 'geen belemmering wegens beveiliging' sprake is.
In het navolgende zal de nadruk worden gelegd op biometrische hulpmiddelen voor authenticatie (verificatie van de identificatie, zogenaamde 'closed search') en voor identificatie (herkenning, zogenaamde 'open search') als aparte toepassing aan de, in termen van figuur 4, zender-kant. En bij ontbreken van een netwerk, tevens de authenticatie voor de server. De mogelijkheden voor identificatie worden door diverse fabrikanten nogal eens benadrukt door te wijzen op de vijftig procent helpdeskcalls die betrekking hebben op vergeten passwords; dat zou met biometrische hulpmiddelen geheel zijn te vermijden. Mits de tools nauwkeurig genoeg zijn, zou sterkere beveiliging met biometrie bovendien nu eindelijk eens verlaging van overhead voor gebruikers en beheerders kunnen betekenen: er is geen passwordbeleid, -invoer en -beheer meer nodig.
De gezochte waarborgen voor uniciteit leiden echter ook tot bruikbare middelen voor non-repudiation (onweerlegbaarheid, het niet kunnen ontkennen een bericht te hebben verzonden); dit is vooralsnog een extra'tje, dat ook door de vragende (authenticatie-eisende) partij als nevenvoordeel zal worden beschouwd.
De authenticatie zal zo dicht mogelijk op de werkelijke bron moeten plaatsvinden; iedere (technische) schakel is er één waar voorafgaand al een inbreuk kan zijn gedaan op de integriteit van de keten. Men denke bijvoorbeeld aan het geval van de bank waarvan de client-software compromitteerbaar bleek en waar na compromittatie van die software de cliëntgegevens uit de banksystemen konden worden opgehaald - niet door de eigenaar maar door de hacker.
Doordenkend voldoet in zo'n geval alleen een 'water'dichte PC of terminal; alleen dan kan worden zekergesteld dat er geen screengrabbers, keystrokelezers of andere Trojaanse paarden kunnen worden binnengesmokkeld. In het geval van de bank was dat niet haalbaar, het betrof immers PC's bij de mensen thuis en verbindingen over het grote, open Internet. Er zal dus een middel nodig zijn dat niet (alleen) de over de lijn verzonden codes identificeert als behorende bij een zekere persoon, maar tevens waarmaakt dat de bron in orde is.
Normaliter worden daarvoor middelen van kennis en eventueel bezit gebruikt, in casu wachtwoorden en allerhande tokenkaarten met, in het gunstigste geval, one-time nonces uit challenge-responsemechanismen met PIN-codes erin versleuteld. Oftewel, het authenticatiebericht, de respons met nonce (berekend antwoord) kan hoogstwaarschijnlijk alleen zijn gegenereerd uit een unieke combinatie van token(reken)kaart, PIN-code en eenmalige, tijdelijk geldige challenge. Een dergelijk complex mechanisme garandeert redelijkerwijs kennis (wachtwoord/PIN-code), bezit (tokenkaart), en juiste adressering (adres voor de challenge). Dit laatste kan nog worden versterkt door gebruik te maken van call-backfaciliteiten zodat een eerste contactpoging wordt tot een identificatie van het verzendadres.
Daar staat tegenover dat een Man in the Middle nog steeds op een bestaande verbinding, of een verbinding in opzet, kan inbreken. Dit kan met een juiste stapeling van encryptie- en andere exclusiviteitsmaatregelen - PC's en servers afschermen - worden tegengegaan.
Kennis en bezit blijken echter nog steeds, door toeval, list en bedrog of onder dwang, te zijn af te nemen. Zie het genoemde voorbeeld van valse adreswijzigingen. Derhalve is er een behoefte aan nog sterker mechanismen; onvervreemdbare individuele eigenschappen. Dergelijke eigenschappen worden vastgesteld met biometrie.
|
Terug naar inhoudsopgave
Er zijn een aantal drempels, soms zelfs 'tegens', die de doorbraak van grootschalig gebruik van biometrische hulpmiddelen hebben gehinderd:
- De kosten. Tot voor redelijk kort was dit een factor van belang. Tegenwoordig valt dat wel mee maar zijn het (nog steeds) de kosten van introductie en beheer - met name in de vorm van mensuren maal tarief - die een belemmering kunnen vormen. Simpele apparaatjes kosten nog slechts zo'n ƒ 50 tot ƒ 100 maar een rechttoe-rechtaan schatting is dat de beveiliging van één deur met een gezichtsherkenningsysteem zo'n ƒ 10.000 tot ƒ 20.000 kost ([Stee98]), terwijl soms niet duidelijk is wat de opbrengsten zijn in termen van eenvoudiger gebruik. De opbrengsten door minder fraude zullen heel wat eenvoudiger zijn vast te stellen, indien althans ervaringscijfers wat dat betreft voorhanden zijn. Anders blijft het moeilijk de voorkomen fraude te schatten.
Probleem is nu dat voor lage prijzen hoge (verkoop)volumes nodig zijn, die pas tot stand zullen komen bij lage prijzen.
- De technische kwaliteit die tot nu toe magertjes was; sensors vielen al na een paar keer aanraken uit en een beetje statische vinger gaf ook al problemen. Zeker de systemen waarbij de vinger direct op een Digital Signal Processing-chip werd geplaatst, konden slecht tegen staticiteit, warmte en vocht. Hetgeen door de fabrikanten heden ten dage ook in mindere of meerdere mate wordt toegegeven; die zouden wellicht niet zo 'eerlijk' zijn als hun nieuwe systemen niet beter zijn.
- De hygiëne van leesapparatuur: Hoe is het voldoende schoon houden van de leesplaat te bereiken als een vingerafdruklezer of handpalmlezer in publiek toegankelijke ruimten wordt geplaatst? Niet alleen zal het schoonhouden nodig zijn voor voldoende nauwkeurige meetwaarden, ook zal de hygiëne overduidelijk zichtbaar in orde moeten zijn om weerstand van gebruikers te overwinnen. Een veelbelovende ontwikkeling hierop is de smartcard waarop het leesvlak zelf is ingebed zodat eenieder zelf heeft te zorgen voor het niet vervuilen - wie z'n handjes niet heeft gewassen, komt 'er' dan niet in.
- Bij andere apparatuur, met name bij iris- en netvlieslezers, is er huiver wegens het risico van fysieke schade. Dit risico wordt door fabrikanten nihil genoemd, maar dat is voor (potentiële) gebruikers weinig reden tot het laten varen van de tegenzin; als de claims van fabrikanten later toch onjuist zouden blijken te zijn, komen er claims van de gebruikers maar dan is het kwaad al geschied.
- In het algemeen blijkt het helaas mogelijk dat redelijk 'fool-proof' systemen toch door 'fools' (moeten) worden gebruikt en dat het mogelijk is een hand nou net verkeerd op een handpalmlezer te leggen. Dit gaat natuurlijk ten koste van de meetnauwkeurigheid en daarmee ook van de betrouwbaarheid. Typisch een kwestie van de Wet op Behoud van Ellende, al is gewoon 'goed' tegenwoordig al gewoongoed.
- De robuustheid van systemen tegen incidentele storingen was tot nu toe bepaald niet altijd in orde. Een snee in een vinger moet bijvoorbeeld niet verhinderend zijn. Gelukkig hebben bijvoorbeeld vinderafdruklezers voor dergelijke gevallen soms (!) de mogelijkheid een 'reservevinger' te registreren waarmee dan alsnog kan worden gematcht. Stemherkenners moeten robuust zijn tegen bijvoorbeeld een verkoudheidje of gehaastheid, hetgeen nog wel eens problemen opleverde.
- Het risico op vervalsingen is niet nul. Een (dunne) plastic handschoen met voorgedrukte vingerafdruk en een bandopname om een stemherkenner te misleiden is, het zijn voorbeelden van risico's waarvan de onduidelijkheid over de omvang tot nu toe het vertrouwen in de kwaliteit van oplossingen (te) laag hield. Ook een contactlens met de juiste imprint zou irislezers kunnen misleiden.
- De technische haalbaarheid was nog niet in orde. Met name de koppeling aan operatingsystemen en applicaties was nog een probleem. Ook was nog onduidelijk in hoeverre de databases met biometrische templates 'proprietary', leveranciereigen, waren of juist open, door andere applicaties bruikbaar. Het risico op een legacysysteem waarbij gebruikers in geval van vervanging opnieuw zouden moeten 'enrollen', was reëel.
Maar sinds de 'proprietary' toepassingen en -technieken samenklonterden tot substandaarden als SVAPI, HA-API, BAPI (van Intel en de OpenGroup) en AIS API (IBM), de beide laatsten zowel in de nieuwe BioAPI meedraaien als toch nog ook hun eigen varianten verder ontwikkeld zien, is het overzicht er niet beter op geworden. Ook voor dit punt is overigens wel plug-and-play in aantocht - zie de vingerafdrukherkenners van onder andere Compaq en Siemens.
- Gebruikers waren (en zijn) huiverig wegens de privacy- en beveiligingsaspecten. Met name de risico's dat een database met biometrische gegevens zou worden doorverkocht (gebeurde eens, maar moest onder luide publieke protesten worden teruggedraaid) en/of dat een inbreker de biometrische templates zou kunnen stelen, betekenden een weigerachtige houding van potentiële gebruikers. Tsja. Niet specifiek voor biometrie, wel een probleem. De Registratiekamer is met dit punt uitgebreid bezig ([Hes00]).
- De privacy van biometrische gegevens was (en is) een onderwerp op zich. Niet alleen kan biometrie een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer betekenen of een inbreuk op de persoonlijke (fysieke) integriteit, ook het gebruik van een biometrische template als unieke sleutel voor de koppeling van allerlei persoonsgegevens en andere (koopgedrag)gegevens in grote databases zal gemakkelijk (en terecht?) op bezwaar stuiten. In de Verenigde Staten is aparte wetgeving inzake biometrische gegevens in ontwikkeling (zie onder andere [ICSA99] en [Rice99]); of wetgeving of zelfregulering de voorkeur verdient, is zelfs in de VS nog onduidelijk. De International Computer Security Association (ICSA) heeft reeds een verzameling uitgebreid doorgedachte 'principles' beschikbaar.
Een belangrijke deelverzameling van de persoonsgegevens waarvan verzameling op bezwaren stuit, komt juist voort uit de gebruikte techniek. Zo geeft de gladheid van de huid bij vingerafdrukken een ruwe indicatie (!) van het ras, geslacht en zelfs leeftijd en werk van de betrokkene. Iris- en netvliesmetingen kunnen eenvoudig worden misbruikt voor ad hoc medische diagnose - ze zijn zelfs al geaccepteerde, officiële diagnosemiddelen -, gezichtsherkenning kan ook herkenning van het ras opleveren. Voorwaar mogelijkheden om huiverig voor te zijn.
Zie tevens kader 1, dat een reeks juridische kwesties opsomt. Waarbij nog de aantekening past dat kader 1 slechts die zaken weergeeft waarvoor nationale wetgeving een rol speelt. Men bedenke zich dat bij grensoverschrijdend gebruik en communicatie van biometrische gegevens, even zo bredere wet- en regelgevingsaspecten van belang zijn. [Hes99] geeft een uitgebreid overzicht van de juridische kwesties.
|
Vragen in de juridische sfeer die verduidelijking behoeven (ontleend aan [Kral99]):
- Hoe past biometrie als beveiligingstechniek in de huidige wettelijke kaders inzake beveiliging?
- Kan het gebruik van biometrie een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer en zo ja, kan dat als een inbreuk op een grondrecht worden aangemerkt?
- Mogen individuele toepassingsaanbieders biometrische gegevens verzamelen, gebruiken en beheren en mogen zij hiermee verificatiediensten ten behoeve van derden verrichten?
- Moeten andere instanties dan de huidige de bevoegdheid krijgen om de ware identiteit van een natuurlijk persoon te kunnen onderzoeken?
- Moet deze personalisatie niet onder de Wet op de identificatieplicht worden gebracht?
- Hoe is de bewijspositie van de gebruikers van chipkaarten bijvoorbeeld bij mogelijke fraude?
- Moeten via een vergunningenstelsel onafhankelijke instanties worden gecreëerd voor het beheer van de verificatiegegevens?
Op basis van nadere analyse zijn hierop de volgende (gedeeltelijke) antwoorden te geven:
- De gebruikte techniek kan van invloed zijn op het antwoord op de vraag of sprake is van een inbreuk op een grondrecht;
- Inbreuk op een grondrecht hangt ook af van het bestaan van een fall-backoptie;
- Niet alle vormen van biometrische gegevens en methoden van opslag van deze gegevens vallen onder de wettelijke regels inzake de bescherming van persoonsgegevens;
- In het algemeen moet er grote voorzichtigheid worden betracht bij het handelen zonder medeweten of toestemming van de betrokkene en met verplichte biometrische persoonsverificatie;
- Als de proportionaliteit uit het oog wordt verloren, zal biometrie kwetsbaar zijn;
- Aan de wettelijke vereisten inzake beveiliging zal niet altijd kunnen worden voldaan zonder biometrie toe te passen. Op dit moment is nog onvoldoende duidelijkheid voor welke toepassingen biometrie (wettelijk) noodzakelijk is;
- Het belang van het beheer en de adequate bescherming van grote databanken met biometrische gegevens vraagt de aandacht van beleidsmakers;
- Er dient aandacht te zijn voor de vraag of een kaarthouder/verdachte kan worden gedwongen tot medewerking bij het opheffen van een biometrische beveiliging;
- De overheid dient zich te beraden op de vraag of een instantie die de chipkaart heeft gepersonaliseerd moet worden verplicht bepaalde maatregelen te treffen ten behoeve van het opheffen van een biometrische beveiliging;
- Biometrie mag er nooit toe leiden dat hieraan dwingende bewijskracht wordt toegekend;
- Aandacht zal er ten slotte moeten zijn voor de opslag en het beheer van biometrische gegevens.
|
Kader 1. Juridische aspecten (nationaal).
- Religieuze groeperingen hebben, nog sterker dan bij andere computertoepassingen, bezwaar tegen gebruik van het Nummer van het Beest. Vraag is of daarop wel een tegenargument bestaat. Heel de mens wordt binair vastgelegd, gereduceerd tot een nummer... Enige vervolgkwestie is of dit zal leiden tot een ontmenselijking van de wereld (alsof die niet al op volle vaart bezig is) of dat de optimisten nu eens een keer gelijk krijgen. Deze kwestie kan binnen het kader van deze white paper niet afdoende worden opgelost maar is in maatschappelijk verband niet verwaarloosbaar.
- De non-repudiation kan te sterk zijn. Als er zo sterk op biometrie kan worden vertrouwd, zal dat ook gebeuren. Hoe nu te bewijzen dat een ander de biometrische template kan naspelen zodat die valse transacties kan doen?
- Onduidelijk is ook wat te doen zou zijn indien inderdaad compromittatie wordt geconstateerd. Dit geldt zeker voor eventuele centrale databases; compromittatie van de biometrische gegevens (templates) daarin is in wezen de aangewezen weg om een dergelijk systeem te kraken. Daar veelal alleen de hashwaarden zijn opgeslagen - of de opgeslagen waarde lijkt daarop, door de praktische onherleidbaarheid tot fysieke details -, zal een inbraak niet direct veel opleveren, of het moet gaan om sleutelwaarden tot databases met (andere) persoonsgegevens. Maar daarnaast kan met de hashwaarde(n) wellicht wel een replay worden gedaan en dan komt het probleem rond non-repudiation weer om de hoek kijken. Hoe te bewijzen dat een biometrische hashwaarde is misbruikt?
En er is het verhaal uit Japan over gangsters die de vinger van een 'executive' zouden hebben afgehakt om daarmee te kunnen inbreken. Als antwoord is nogal eens sprake van vingerprintlezers die tevens bloeddruk of -warmte zouden kunnen lezen. Alsof die, met noodzakelijkerwijs grote vergelijkingsmarges tegen FRR, niet zouden zijn te vervalsen op dezelfde wijze als een vingerafdruk. Onduidelijk is in hoeverre het hier een Broodje-Aapverhaal betreft; het verhaal speelt immers 'aan de andere kant van de wereld' en is dus prima oncontroleerbaar.
(Overigens, bij iris- en netvlieslezers kan een pupilreflexmeting worden toegevoegd, tegen misbruik door middel van foto's.)
En bovenstaand verhaal over mogelijke fouten met DNA-monsters geven al aan dat ook misbruik per ongeluk nog steeds kan...
Concluderend blijkt het juiste zijn nog steeds niet absoluut onlosmakelijk te zijn gekoppeld aan de juiste persoon, of aan de persoon die een oorspronkelijke transactie wilde doen. Oplossing is nog dieper die persoon binnen proberen te komen, om tot een onafscheidelijk en uniek kenmerk te geraken. Wat is wezenlijk aan een mens? Wie hierover doorfilosofeert, belandt in 'cogito ergo sum', terwijl dit niet oplost om een sluitend 'ego sum' aan de andere kant van een netwerk te krijgen... Voorwaar hinderlijk, want de doelstelling was juist om unieke authenticatie te verkrijgen.
De meest uitgebreide poging die zou kunnen worden ondernomen, zal dan ook uitgaan van kennis, bezit én zijn. [Rice99] geeft het voorbeeld van een polsband met smartcard en PIN-code plus asymmetrische cryptogafische codering. De polsband meet de polsaderen (zijnswaarde), de gebruiker wordt een PIN-code gevraagd en bovendien wordt met een public/private-keyalgoritme en een challenge-responsemechanisme de diverse, waaronder biometrische waarde versleuteld naar een (radio)ontvanger gestuurd om aldaar te bepalen of de kennis, bezit en zijn bij elkaar horen. Dit alles zonder dat centrale opslag van de gegevens nodig is.
Nadeel is dat er nog steeds geen middel is om overvallers tegen te houden. Onder bedreiging een PIN-code afgeven zal bij gebruik van biometrie niet meer voldoende zijn, maar onder bedreiging 'gewoon' geld opnemen en vervolgens moeten afstaan blijft natuurlijk mogelijk. Het enige redmiddel wat dan nog over is, heet een stil alarm. Sommige software bij vingerafdruklezers kent deze mogelijkheid door een 'alarmvinger' voor te programmeren; wordt die gebruikt, dan is er sprake van dwang in een noodsituatie. En ook tegen een alarmvinger bestaan alweer twee bezwaren:
- hoe weten we dat een melding van misbruik eerlijk is? Een willekeurige oplichter kan zijn alarmvinger immers gewoon gebruiken om bijvoorbeeld geld op te nemen en vervolgens een overval te claimen. Bij gebruik van een geldautomaat kan dan nog een camera'tje worden ingebouwd ter controle, maar als thuisbankieren ingang vindt, is dat niet doenbaar;
- het bestaan van een alarmvingermogelijkheid zal algemeen bekend moeten zijn, eenieder zal die immers bij enrollment moeten opgeven c.q. registreren. Een overvaller weet dat dus ook, en kan dus afdwingen dat de overvallene toch maar, voor de eigen gezondheid, beter niet de alarmvinger kan gebruiken.
De alarmvinger is in wezen een vorm van steganografie, het meesmokkelen van verborgen informatie in overigens regulier lijkende berichten. Dit valt buiten de reikwijdte van deze white paper en richt zich (hier en normaliter) ook eerder op andere delen van de communicatiepijplijn van figuur 4 dan identificatie/authenticatie of autorisatie door biometrie.
Terug naar inhoudsopgave
De genoemde drempels zullen moeten worden weggenomen; ze vormen in wezen de kritieke succesfactoren waar ook de IT-auditor zich op kan richten. De drempels zullen een voor een worden behandeld. In een aantal gevallen valt niet eenduidig aan te geven hoe een nadeel kan worden verholpen; techniek- en situatieafhankelijkheid staan zo'n antwoord in de weg.
- Het onderwerp 'kosten' zal een probleempunt blijven. De vicieuze cirkel (om de kosten omlaag te brengen, zullen leveranciers grote aantallen van hun apparatuur moeten produceren en afzetten maar dat zal pas lukken als de kosten al omlaag zijn) kwam al ter sprake. Een inschatting van de lange-termijnlevensvatbaarheid van de leverancier is dan ook van groot belang. Hier staat tegenover dat een beperkt aantal serieuze toepassingen samen al voldoende kritische massa kunnen hebben om de veelal kleine leveranciers overeind te houden.
- Zoals aangegeven, beamen de leveranciers de tot voor kort tekortschietende technische kwaliteit van de systemen. Of hieraan reeds is tegemoetgekomen, zal in realistische praktijktests (zie diverse punten hieronder bij Overwegingen) moeten blijken.
- De hygiëne rond meetapparatuur zal een probleem blijven als het dat al is. In de praktijk zal vooral eerst een voorselectie moeten worden gemaakt van methoden die in aanmerking komen en vervolgens zal per methode moeten worden bepaald of c.q. in welke mate deze gevoelig is voor verstoring, gegeven de specifieke omstandigheden. Uiteraard verdient het de voorkeur hiervoor een worst-casescenario te hanteren.
- Het punt 'fysieke schade' dient uitdrukkelijk te worden geadresseerd. Het overnemen van de verklaringen van leveranciers is onvoldoende, hieraan wordt door uiteindelijke gebruikers weinig waarde gehecht. Het lijkt zinvol indien weerstand van gebruikers voorzienbaar is, een onderzoek door een (door gebruikers zo gewaardeerd) onafhankelijk instituut te laten uitvoeren naar de 'feitelijke' fysieke risico's.
Een andere oplossing is uiteraard, bij gebleken gelijke geschiktheid, de voorkeur te geven aan een 'non-intrusive' biometrisch hulpmiddel.
- Het al of niet opzettelijk fool-proof zijn hangt sterk af van enerzijds de gebruikersinstructie -voorzover de gebruikers nog fools zijn - en anderzijds de fraudebestendigheid - voorzover de gebruikers willen foolen - die even goed door de techniek als door het gebruik wordt bepaald. De afweging of een biometrisch middel wat dit betreft een verbetering is, moet worden afgezet tegen de nu gangbare methoden van magneetstrippassen en/met PIN-codes die allesbehalve (in (veel?) mindere mate) fool-proof zijn.
- De robuustheid is in wezen een combinatie van de kwaliteit van de hardware (zie hiervoor) en de stabiliteit van de software. Het eerste kwam hiervoor aan de orde, het laatste is en blijft een probleem. Het probleem geldt zeker indien geheel wordt vertrouwd op aangekochte software die niet zo rigoreus kan (!) worden getest als zelfontwikkelde software. Het kunnen terugvallen op een reservevinger is reeds gemeengoed voor vingerafdruklezers; de praktijk heeft nog onvoldoende gegevens opgeleverd over andere vervalsingsmogelijkheden.
Verbetering op deze punten is uiteraard gewenst, en wordt ook continu aangepakt. Bovendien moet alweer de vergelijking worden gemaakt met bestaande technieken.
- De koppeling aan applicaties wordt steeds beter. Zeker met de komst van de BioAPI, waarachter zich onder andere Microsoft, Novell (ja die twee samen), IBM en Compaq (idem) scharen, zal voor een veel meer eenduidige standaard gaan zorgen.
- In dezelfde lijn ligt de verdergaande ontwikkeling van het testen van biometrische applicaties. Het ICSA heeft reeds een uitgebreide 'testsuite' ontwikkeld die in gestandaardiseerde en daardoor onderling beter vergelijkbare manieren van testen kan worden gebruikt. Een aantal applicaties heeft van ICSA reeds een certificaat gekregen (voorzover de waarde van zo'n certificaat helder zou zijn).
- Een belangrijk aspect dat hiermee samenhangt maar in de vaart der ontwikkelingen vaak minder aandacht krijgt, is de inbedding in organisaties van de applicatie. In dit geval gaat het met name om (eventueel) sleutel- en kaartbeheer, het beheer en onderhoud van apparatuur, het beheer en onderhoud van koppeling(en) aan applicaties, etc. Maar met een beheerst implementatie- en beheertraject c.q.-organisatie valt hieraan wel tegemoet te komen.
- De huiver inzake privacy is op twee wijzen te mitigeren: een moeilijke en een gemakkelijke manier. De keuze is niet vrij.
De moeilijke manier is alle beveiliging rond de database(s) met biometrische en ermee samenhangende gegevens te tonen. Deze optie zal moeten worden gekozen als een centrale database wegens de gebruiksmodus nodig is, bijvoorbeeld als gebruik voor identificatie nodig is. Het tonen van de beveiliging kan op velerlei manieren, bijvoorbeeld door regelmatige onafhankelijke toetsing waarvan het resulterende rapport voor eenieder ter inzage ligt.
De gemakkelijke manier is door af te zien van 'database'afhankelijke opslag. Het genoemde opslaan van de biometrische gegevens op een smartcard is daarvan een duidelijk voorbeeld. De gebruiker draagt dan zijn biometrische gegevens met zich mee - en de eraan ten grondslag liggende fysieke eigenschappen ook -; voorwaar een methode die ook voor vele andere privacygevoelige gegevens prettig zou zijn. Indien dit echter te veel wordt doorgezet, kan wel eens een situatie ontstaan waarin het verlies van een smartcard te ernstige gevolgen heeft - zeker als, hetgeen reeds is aangetoond, smartcards ook kraakbaar kunnen zijn.
De genoemde meer algemene juridische vraagstukken zullen niet (altijd) door de individuele organisaties die biometrie willen inzetten, worden opgelost. Succesfactor is in dit verband de grondigheid waarmee wordt onderzocht welke juridische dilemma's van toepassing zouden kunnen zijn in een voorgestelde toepassing, en of maatregelen zijn genomen waarmee de organisatie zich ongevoelig kan maken voor sommige van de juridische dilemma's. Door bijvoorbeeld (ook om deze reden) centrale opslag te vermijden en smartcards als opslagmedium te kiezen, kunnen een aantal kwesties rond de beveiliging van persoonsgegevens worden vermeden.
- Bij de juridische kwesties kwam al even de noodzaak van een fall-backoptie naar voren. Zeker bij voortgaande ontwikkeling van de technieken zullen de waarborgen van uniciteit, en daarmee de waarde voor non-repudiation van biometrische hulpmiddelen, te groot kunnen worden. Er zal altijd een manier moeten zijn om op andere wijze identiteit te kunnen bewijzen, en ontkennen! Hoe dat zou moeten, is een nog niet uitgekristalliseerd onderwerp; in voorkomende gevallen zal ieder middel moeten worden aangegrepen. Maar wie dat aangrijpen doet, het zal meestal niet de organisatie (moeten) zijn die het biometrische middel inzet; die probeert juist vaak non-repudiation te verkrijgen.
- Tegen compromittatie valt het nodige te doen door de beheerorganisatie op een hoog peil te brengen en te houden. Een grote database met biometriegegevens die wordt gekraakt c.q. gestolen, zou een complete nieuwe enrollment nodig maken, met nieuwe gegevens. Met tien vingers kan er nog wat worden vervangen, al geeft dat wat gewenningsproblemen - de wijsvinger is toch motorisch het gemakkelijkst en meest gebruikt -, maar wat te doen met stemherkenning? Moeten alle gebruikers een ander stemmetje opzetten? (Terwijl een goede stemherkenner daar juist, nu dus ongewenst, doorheen zou lezen!)
Compromittatie van een databaseloos systeem is veel moeilijker voor elkaar te krijgen, dit vergt op z'n minst een inbraak in de leesapparatuur plus begrip van de werking tot op bitniveau. Alleen dan valt een Trojan horse te planten waarmee waarden zouden kunnen worden onderschept die van en naar de smartcard en vergelijkingseenheid gaan. Vervolgens zal een smartcard moeten worden omgebouwd om bij de biometrische hash van de compromittant de 'gewenste' toegangsrechten op te slaan.
Beide inbraakwegen zijn niet eenvoudig, maar wellicht doenbaar. En alsdan waarschijnlijk eenvoudig te verijdelen.
Dit staat dan tegenover wachtwoorden die eenvoudig vervangbaar zijn (en die juist zo regelmatig moeten worden vervangen omdat ze zo eenvoudig compromitteerbaar zijn) en tokenkaarten die kunnen worden gestolen of verloren kunnen gaan maar die eenvoudig vervangbaar zijn.
- Kortom, eens houdt de beveiligingswedloop op, en wel waar die economisch niet meer rendabel is. En een verzwaring van de toegangsbeveiliging met (biometrische) zijnskenmerken kan er wel voor zorgen dat crackers, van welke vorm dan ook, eerder hun 'heil' bij uw concurrent zullen zoeken.
Terug naar inhoudsopgave
|
Recent zijn er signalen de wereld ingezonden dat wordt overwogen biometrie in te zetten om hooligans buiten de voetbalstadions te houden. Een clubcard met biometrische techniek erop heeft echter natuurlijk ook de genoemde nadelen:
- De betrouwbaarheid zal zeer goed moeten zijn. Uitsluiting op onterechte gronden zal immers voor een hoop lawaai zorgen. Daar komt bij dat het een 'sport' zal worden het systeem te misleiden, zowel bij registratie als bij later gebruik. Hetgeen staat tegenover de echte supporters voor wie het systeem niet te belastend mag zijn en er zal dus juist met een redelijke tolerantie moeten worden gewerkt.
- De leesapparatuur moet dus goed en zéér foolproof zijn. Voor hooligans die quasi-onwetend apparatuur mishandelen moet de apparatuur fysiek robuust genoeg zijn. Alleen al de benodigde hygiëne voor een bruikbare aflezing kan een belemmering zijn.
- Er zal een keuze moeten worden gemaakt tussen een systeem met de biometrische referentiewaarde in een centrale database of op een clubcard. Beide varianten hebben zo hun voor- en nadelen.
Een centrale database kan bijvoorbeeld veel meer gegevens bevatten, kan gekoppeld zijn aan andere databases (politie, KNVB), etc. In dat geval dient de clubcard als bewijs van registratie, de identificatie en authenticatie gebeurt dan met biometrie. En wordt het centrale bestand gebruikt om te bepalen wie er wel, of juist wie er niet een stadion inmag? In het ene geval zal het wel een grote database worden met alle problemen van dien met performance, betrouwbaarheid, wellicht dubbelen of niet-onderscheidbare referentiewaarden, etc. In het andere geval is er natuurlijk een probleem hoe te voorkomen is dat onterechte entries worden rechtgezet. Kwaadwillenden zullen bovendien niet erg meewerkend zijn om betrouwbare, neutrale nulmeting (registratie van de referentiewaarde) te ondergaan.
Los daarvan zal een centrale database een hoop datacommunicatie met zich meebrengen naar de stadions. Hoe betrouwbaar die kan zijn in termen van beschikbaarheid, performance en afscherming (bestendigheid tegen hackers/crackers) is maar de vraag.
Als de referentiewaarde op een chipcard wordt opgeslagen, zijn de problemen misschien zelfs nog wel groter. Hoe aan te tonen dat iemand een stadionverbod heeft? De kaart is zó "verloren" waarna een nieuwe zal moeten kunnen worden aangevraagd en met een beetje oefening zal een net ietsje andere referentiewaarde kunnen worden geproduceerd voor de registratie, althans binnen de normale tolerantie voldoende anders om als nieuwe referentiewaarde te worden gebruikt. Dus is er een (centrale) database nodig met uitgeslotenen. En als die er moet zijn, waarom dan nog de referentiewaarde op de chip gehouden?
Daar staat tegenover dat het op kaarten opslaan van de referentiewaarden, het moeilijk wordt om bij te houden wie nou net is uitgesloten. Daarvoor is toch een database nodig. Als er dan toch een database zou moeten komen, kan die net zo goed alle info bevatten, dan is geen chipkaart nodig. Dan is de identificatie alleen op basis van 'zijn', want de verificatiegegevens op basis van het weten van een naam of pincode, het bezit van een clubkaart of iets dergelijks is gemakkelijk te vervalsen.
|
Terug naar inhoudsopgave
Afgezien van de drempels, kan natuurlijk de vraag worden gesteld of biometrische identificatie en authenticatie wel zo snel zal aanslaan. Sinds de snelle introductie van de PIN-pas was er aan chipcards een stuk minder behoefte. Sinds de introductie van mobiele telefonie dreigt het met WAP dezelfde kant op te gaan. En sinds het gewoon wordt 'moeilijke' passwords te onthouden, is de behoefte aan iets extra's, ingewikkelds voor authenticatie misschien al niet eens meer nodig? Het zal eraan liggen voor welke gebruikersgroepen we biometrie willen inzetten. En wat we 'succes' van toepassing van biometrie noemen.
Enerzijds zijn er de grote groepen consumenten, met hun eigen aardigheden. Met name de acceptatie van alweer een technologische nieuwigheid zal cruciaal zijn. Biometrie is lastig, alleen al omdat het nieuw is. En de voordelen ziet de consument waarschijnlijk niet. Die liggen dan ook bij de producent/leverancier. Dié krijgt betere authenticatie van gebruikers, waardoor hij selectiever kan zijn en/of minder kwijt is aan verliesnemen om der gebruiksvriendelijkheid wille. Pas als dat wordt doorvertaald naar de consument, kan er succes komen.
Anderzijds zijn er kleine gebruikersgroepen die gespecialiseerde transacties uitvoeren, met hoge waarden zoals aandelentransacties. De risico's zijn dan groot als er iets misgaat. Daarbij kan als voordeel gelden dat er vaak sprake is van het werken in specifieke omgevingen - effectenkantoren, omdat alleen onder elkaar de feeling voor marktbewegingen ontstaat. Dat biedt de mogelijkheid om, als men zich toch al enigszins inschikt, de kleine aanpassing van biometriegebruik er eenvoudig bij te nemen. Ook op andere plaatsen met relatief overzichtelijke, beheersbare gebruikersgroepen duikt biometrie op. Het kan best zijn dat die niet zo in het oog lopen, maar dat was aanvankelijk ook bij het gebruik van faxen en Internet het geval. Een algehele doorbraak of zo is niet nodig, zelfstandige oplossingen kunnen prima dienstdoen voor specifieke beveiligingssituaties.
Kortom: het gaat niet om een doorbraak, maar er zijn vele toepassingsmogelijkheden van beperkte omvang waar biometrie een prima oplossing kan zijn. Om enkele zaken te noemen - die overigens geen absolute voorwaarde zijn:
- Als gebruiksgemak voorop staat en gebruikers niet gaan saboteren. Het gaat dan met name om situaties waarin passwordbeveiliging wel nodig is, maar waar de bedrijfscultuur ertoe leidt dat gebruikers 'onmogelijk kunnen wennen aan 'moeilijke' passwords', of situaties waar het niet toelaatbaar is dat gebruikers elkaars passwords even lenen voor, bijvoorbeeld, tijdens de vakantie, of situaties waar het niet haalbaar blijkt voldoende vaak passwords te verversen.
En/of
- Een additioneel voordeel dat wellicht op zich al voldoende voordeel oplevert, is dat door het eventueel niet meer nodig hebben van passwords de helpdesk een stuk minder last kan krijgen van gebruikers. Sommige onderzoeken komen tot metingen waarin zo'n 30 tot 50 procent van de calls betrekking heeft op vergeten passwords. In termen van uren maal tarief kan hier een flinke besparing leveren en de kwaliteit van dienstverlening van de helpdesk behoorlijk verhogen.
En/of
- In omstandigheden waar hoge beveiligingsnormen gelden. Het kan gaan om bedrijfsprocessen waar met zeer grote waarden (geld- en effectenhandel) wordt gewerkt, of met anderszins (privacy)gevoelige gegevens (medische gegevens, bijvoorbeeld).
En/of
- In omstandigheden waar de identificatie van (niet de systeemgebruikers maar) klanten van groot belang is. Men denke aan justitiële of daaraan verwante diensten, klanten die specifiek voor hen bestemde goederen komen afhalen, etc.
En/of
- Indien de gebruikersgroep relatief beperkt kan blijven, zodat de voordelen van biometrie in termen van gebruiksgemak, verhoogde beveiliging of kostenbesparingen zichtbaar kunnen worden gemaakt voor de gebruikers.
Terug naar inhoudsopgave
De vele drempels c.q. kritieke succesfactoren geven echter wel al aan dat de introductie van biometrie niet licht moet worden opgevat.
Het volgende geeft een kort overzicht van de overwegingen en vragen die bij de selectie en implementatie van biometrische toegangsbeveiliging aan bod zouden moeten komen (ontleend aan [ICSA99]). De volgorde van items is niet verplichtend.
- Wat zijn de redenen om biometrie te gebruiken en wat zijn de zakelijke argumenten en randvoorwaarden? De 'business case' dient voorop te staan in de tijd en naar belang. De redenen dienen zakelijk verantwoord te zijn. En budgetten en deadlines dienen vooraf duidelijk te zijn, om technisch gefröbel te voorkomen. En de namen van de sponsor, trekker en projectteamleden dienen te worden ingevuld.
- Wat voor beveiliging wordt er nu precies vereist? Inventariseer alle huidige zwakke plekken in de beveiliging; zowel logisch al fysiek. Maar ook alle voorzienbare sterke en zwakke plekken als biometrie wordt ingezet, zullen moeten worden onderzocht; niet alleen gaat het om huidige fysieke locaties waar in de toekomst biometrische metingen zouden kunnen worden gestoord, maar ook allerlei locaties waar het wellicht niet mogelijk is meetapparaten beschikbaar te hebben. Denk aan de trend richting telewerken: als een van uw medewerkers zodadelijk met zijn/haar geïntegreerde GSM-palmtop aan het strand zit en nog even wat werkdingetjes wil afronden, is het wat onhandig om een zware gezichtswarmtebeeldcamera te moeten meeslepen - of u vindt het juist wenselijk dat de medewerker zichzelf niet in z'n privétijd stoort met werk.
- Welk beveiligingsniveau wordt gewenst? Wilt u Fort Knox of wilt u alleen een PIN-codesysteem vervangen? Hierbij dient met name een afweging plaats te vinden tussen de business case en de nader inschatbare baten (besparingen en beveiligingsniveau) en kosten.
- Is een biometrisch hulpmiddel überhaupt wel nodig? Wellicht kan bij nader inzien een bestaande vorm van beveiliging (kennis en bezit), ter aanvulling of vervanging van het huidige systeem, net zo gemakkelijk het gewenste beveiligingsniveau bereiken.
- Is er een onderzoek uitgevoerd onder de uiteindelijke gebruikers en wat zijn daarvan de resultaten? Ten minste zal moeten worden onderzocht wat de houding tegenover de interactie met biometrische apparatuur is, en hoe de opslag van biometrische en eventueel andere gegevens eruit gaat zien.
Eerlijke voorlichting zal essentieel zijn voor uiteindelijke acceptatie; als het gebruik van biometrie wordt simpel wordt voorgesteld en later een zware belasting blijkt, zal de acceptatie laag zijn. Eveneens lijkt het raadzaam het gebruikersonderzoek te herhalen als er tijdens het verdere implementatietraject belangrijke koerswijzigingen nodig zijn, bijvoorbeeld door de omschakeling naar een andere vorm van biometrie dan aanvankelijk was voorzien.
- De functionaliteit van het biometrische systeem dient van tevoren helder te worden gedefinieerd. Aan een systeem dat authenticatie van (hoe?) aangedragen identiteiten moet verzorgen, dienen andere eisen te worden gesteld dan aan een systeem dat in een database dubbele identiteiten moet voorkomen.
- Gegeven dat een biometrisch systeem wordt geïmplementeerd, wat zijn dan de resterende mogelijke vormen van inbraak? De inventarisatie van zwaktes zal moeten worden gemaakt ongeacht de inschatting van de hoogte van de risico's. Die kunnen namelijk (te) snel veranderen als biometrie meer gemeengoed wordt; beveiliging is een wapenwedloop...
- Wie gaat het systeem onderhouden? Is dit een aparte functionaris, of wordt het beheer bij diverse functionarissen ondergebracht? Zijn de vereiste technische en systeemkennis en (op te bouwen) -ervaring bij die personen aanwezig? Wie is verantwoordelijk voor technisch onderhoud en wat zijn daarvoor de noodzakelijke bevoegdheden op het systeem? Uitgangspunt zal meestal zijn het beheer met de huidige staf van medewerkers te doen, hetgeen dan een opleidingsbehoefte betekent die - niet te vroeg, niet te laat - moet worden ingevuld.
- Hoe wordt toegang tot biometrische gegevens beveiligd en waar? Het systeem op zich dient ook te worden beveiligd, en wel zwaar. Duidelijk moet zijn welke gegevens de ronde doen en waar die zich bevinden - in database(s), datacommunicatie, smartcards, etc.
- Wie heeft toegang tot de biometrische gegevens? Zijn er naast de systeembeheerders uit punt 8 nog anderen die toegang hebben tot de gegevens? Hiervan dient een apart register te worden bijgehouden. Nodeloos op te merken dat de toegang tot het biometrische systeem en de biometrische gegevens controleerbaar (auditable) moet zijn en dat sluitende controles meer dan ooit noodzakelijk zijn.
- Wat is de definitie van de groep uiteindelijke gebruikers? Schattingen van zowel het initiële als het uiteindelijke aantal gebruikers moeten in kaart worden gebracht, en onderzocht moet worden of expliciete toestemming van die gebruikers nodig zal zijn (praktische en juridisch). Indien nodig, bepaal dan tevens hoe die toestemming zal moeten worden verkregen. Indien niet, bepaal dan hoe de gebruikers zullen worden ingelicht over de introductie van het biometrische systeem.
- Wat is het beste moment voor enrollment en wat is het beste moment voor latere metingen?
Bij het beste moment voor enrollment dient te worden nagegaan of de gebruikers er apart voor moeten opdraven of dat het mogelijk is de enrollment te doen als de gebruikers zich melden voor diensten c.q. toegang - waarbij rekening moet worden gehouden met speciale controles op de gewenste identificatie bij enrollment. Namen, adressen, paspoorten, etc. zullen uitgebreid moeten worden nagetrokken om te voorkomen dat malafide personen door de enrollment komen.
Bij latere metingen, in het dagelijkse gebruik, zal moeten worden bepaald hoe snel de meting en toegangsverlening moet worden uitgevoerd; triviale zaken als bijvoorbeeld té traag openende deuren - als de handpalmlezer te dicht op de deur is gemonteerd, maar (NB) ook als de centrale database 'te ver weg' is voor snelle communicatie en matching - staan uiteindelijke acceptatie in de weg.
- Wat is de schaalbaarheid van het systeem? De databases met biometrische gegevens kunnen wellicht de groei van de gebruikerspopulatie niet aan, naar omvang en/of naar snelheid van matching. Ook is er een (hoewel niet zeer groot) risico dat bij een sterk groeiende gebruikerspopulatie het aantal gevallen waarbij twee biometrische waarden moeilijk onderscheidbaar zijn, zal toenemen.
- Waar dienen de gegevens te worden opgeslagen; in een database of ergens anders (magneetstrip of smartcard)? Op basis van punten 1-13 zal hierover een principebesluit moeten worden genomen.
- Welke omvang en aantal van templates is nodig? Gegeven de opslagmethode kan worden bepaald hoe groot de template moet zijn (simpelweg in bits) om voldoende onderscheidend te zijn. Een op smartcard opgeslagen template hoeft niet groot te zijn (en kan dat niet) omdat latere matching toch verificerend zal zijn bij anderssoortige identificatie. Een andere factor is het (uiteindelijke!) aantal gebruikers; als dat klein is, kan de template ook klein blijven om toch nog voldoende onderscheidend te zijn. Is de uiteindelijke gebruikerspopulatie zeer groot (bijvoorbeeld een bevolkingsadministratie) dan zal de template evenredig groter moeten zijn om 'dubbelen' qua templatewaarde te voorkomen.
- Wat is de uiteindelijke fysieke omgeving? Bij punt 2 hierboven was al even sprake van de meetomgeving die de uiteindelijke waarde van de inzet van willekeurig welk biometrisch systeem zal bepalen. Gegeven antwoorden op de vorige vragen, kan een meer gedetailleerde analyse worden gemaakt. De niveau's van (en fluctuaties in!) temperatuur, vochtigheid, luchtdruk, natuurlijk en kunstmatig licht, achtergrondgeluid, netwerkruis, vuil en algemene hygiëne van de persoon, vervuiling van de omgeving en van de meetapparatuur en stroomvoorziening, om er een paar te noemen, beïnvloeden de meting; wellicht zelfs te veel om nog nauwkeurig genoeg te kunnen meten. Een alternatieve biometrische techniek kan dan misschien soelaas bieden.
- Wat zijn de karakteristieken van de gebruikerspopulatie? Leeftijd, geslacht, etnische achtergrond, beroep, hobby's, culturele aspecten en andere persoonlijke factoren spelen allen een rol bij de keuze voor en van een biometrisch systeem. Dergelijke informatie is echter bij uitstek privacygevoelig. Bovendien moet voorzichtig worden omgegaan met de soms indringende vragen en zal het doel van de vragen helder moeten worden uitgelegd.
Houd er ook rekening mee, dat het weigeren van gehandicapten (blinden hebben overduidelijk problemen met irisherkenners, bijvoorbeeld) nou net niet het juiste signaal geeft.
- Welke (potentiële) juridische aspecten spelen een rol? Dit kan betrekking hebben op de privacy rond de biometrische gegevens en/of de ermee samenhangende opgeslagen gegevens, zowel in opslag (al of niet afhankelijk van de opslag in een centrale database of decentraal op smartcards, etc.) als tijdens transport over netwerken. Kader 1 geeft een - niet uitputtend - overzicht van de diverse (nationale) kwesties die een rol spelen.
- Wat zijn de bestaande (legacy-?) systemen waarop het biometrische hulpmiddel moet aansluiten? Hierbij zijn zowel operatingsystemen, hardware, applicatiesoftware, als netwerkcomponenten van belang. Een duidelijk punt; als de biometrische beveiliging nergens aan is vast te knopen, is die nergens nuttig voor.
- Wat is de lange-termijnlevensvatbaarheid van de leverancier(s)? Voorkomen moet worden dat de ondersteuning van de leverancier na korte tijd wegvalt, zeker als de volgende punten wat minder zwaar blijken te hebben gewogen...:
- Welke API's kunnen worden gebruikt? Zoals hiervoor reeds werd aangegeven, zal moeten worden voorkomen 'locked in' te raken in de toevallige hard- en software van het moment.
- Kan een toekomstig (ander) biometrisch systeem gebruikmaken van dezelfde database? Of zou er opnieuw moeten worden begonnen en zou een volledige her-enrollment van alle gebruikers nodig zijn?
- Welke meetmarges zijn acceptabel? Bovengenoemde punten 1-5 en met name punt 3 bepalen welke meetmarges, FAR en FRR zijn toegestaan. Het te selecteren middel moet deze natuurlijk kunnen leveren.
- Is een evaluatie van meer dan een technologie of systeem nodig? Zo ja, selecteer dan de relevante technologieën c.q. systemen en test ze in testomgevingen.
- Is een veldproef nodig? Meestal zal het antwoord 'ja' zijn. Zorg daar dan voor, maar let er wel op dat:
- de proef grondig is voorbereid en gepland, om de resultaten representatief en zinvol te kunnen doen zijn;
- de proef representatief is, dus met het beoogde voorlichtingsmateriaal en onder realistische omstandigheden. Als de groep gebruikers zich te geprivilegieerd voelt (op basis van bijvoorbeeld persoonlijke kwaliteiten uitverkoren) kan een te grote acceptatie worden voorgespiegeld. Ook de meetomstandigheden etc. moeten representatief zijn voor de toekomstige gebruiksomgeving;
- de proef voldoende kritische massa heeft; als de proef te veel naast het gewone werk moet worden gedaan, zal de test wellicht te expliciet als een wetenschappelijke proef worden behandeld en zullen de resultaten te kritisch kunnen worden beoordeeld. Dit 'objectiveren', rationaliseren van de eigen bevindingen, kan zowel positieve als negatieve vervorming geven;
- een goede evaluatie wordt gemaakt van de proef, met beoordeling op vooraf vastgestelde criteria en meetmethoden. De proef moet niet worden gezien als een noodzakelijk kwaad waarvan bij voorbaat de uitslag vastligt, noch moet een minder dan perfect resultaat reden zijn alles maar af te blazen.
- Na de proef: hoe nu verder? Eerst dient een Go/Stop-Go/No-Go-beslissing te worden genomen. Waarbij de Stop-Go-optie - een adempauze inlassen om verbeteringen door te voeren (inclusief hertest) - niet hoeft te worden vergeten maar juist een gunstige oplossing kan zijn. Vervolgens zal een gedegen planning voor de roll-out nodig zijn.
Terug naar inhoudsopgave
Samenvattend kan worden gesteld dat de biometrische hulpmiddelen zo langzamerhand technisch volwassen genoeg zijn geworden om een betrouwbare extra beveiliging te kunnen bieden. Behalve enige duidelijkheid die soms nog moet worden geschapen over juridische aspecten, zal het erop aankomen, zoals altijd, de selectie en implementatie consciëntieus te doen.
Vervolgens zal dan het beheertraject netjes moeten zijn ingericht om tot een succes te komen; ook dat is niets nieuws. Van daaraf kan dan eenieder weer op de blauwe ogen worden vertrouwd. Of op face value, of ...
Biometrie moet niet omdat het een hype(je) is. Biometrie moet wel worden overwogen, als extra hulpmiddel in de beveiligingswedloop.
Terug naar inhoudsopgave
Onderstaande is slechts een beperkt overzicht van de vele researchartikelen, nieuwsbrieven en press releases van fabrikanten op het net. Alle links waren geldig per datum van publicatie.
| [Anch99] |
ZDNet AnchorDesk, The Biometrics Revolution, http://www.zdnet.com/anchordesk, 19 mei 1999 |
| [AG99] |
Automatisering Gids redactioneel, Biometrie voor herkenning vingerafdruk, week 31, 31 juli 1998 |
| [Amer99] |
W. Amerongen, Roodkapje: biometrist 'avant la lettre', Computable nr. 15, 16 april 1999 |
| [Bass98] |
T.A. Bass, Dress Code, Wired nr. 4, april 1998 |
| [BBC00] |
BBC News, Speaking for security, 25 september 2000, http://news.bbc.co.uk/hi/english/sci/tech/newsid_941000/941663.stm |
| [Biom00] |
Biometrie in het nieuws, overzicht van nieuwsberichten, http://www.casema.net/~henryv |
| [Bloo98] |
Bloomberg, Biometrics moves to the fore, CNet News.com, http://www.news.com/News/Item/0,4,29019,00.html, 18 november 1998 |
| [Bloo98] |
R. Boucher Ferguson, Putting a finger on security, ZDNet / eWEEK, 25 september 2000, http://www.zdnet.com/eweek/stories/general/0,11011,2631535,00.html |
| [Brig99] |
P. Briggs, Siemens Launches Secure PCs, TechWeb/CMPnet, http://www.techweb.com/wire/story/TWB19990511S0027, 11 mei 1999 |
| [Brow99] |
B. Brown, Biometric Evolution, PC Magazine Online, http://www.zdnet.com/pcmag/stories/reviews/0,6755,400287,00.html, 3 mei 1999 |
| [Byte98] |
Byte redactioneel, Smartcards in Action, http://www.byte.com/art/9804/sec19/art3.htm |
| [CiB00] |
Cards in Business, Identificeren en verifiëren: een wereld van verschil, http://www.gigamedia.nl/html/cib/index.htm |
| [Clar98] |
T. Clark, Speech recognition takes off, CNet News.com, http://www.news.com/News/Item/0,4,18767,00.html, 3 februari 1999 |
| [Cost99] |
T. Costlow, Stung by sticky fingers, biometrics regroups, EETimes/CMPnet, http://www.techweb.com/se/directlink.cgi?EET19990426S0008, 26 april 1999 |
| [Cryp99] |
Crypsys, Biometrie; het lichaam als wachtwoord, Crypsys Contact winter 1998 |
| [Davi97] |
A. Davis, The Body as Password, Wired nr. 7, juli 1997 |
| [Decl98] |
F. Declerq, Biometrie: wordt zelf je wachtwoord, Computable nr. 45, 6 november 1998 |
| [Flyn98] |
H. Flynn, Biometrics and Digital Signatures for Authentication, Gartner Advisory Research Note, 30 april 1999 |
| [Flyn98] |
J. Gartner, Giving Amazon the Finger, Wired News, 29 juni 2000, http://www.wired.com/news/technology/0,1282,37321,00.html |
| [Guld98] |
J. Guldentops, Computers houden niet van klamme handen, CM Corporate nr. 116, 23 september 1998 |
| [Gunn99] |
G. Gunnerson, Are You Ready for Biometrics?, PC Magazine Online, http://www.zdnet.com/products/stories/reviews/0,4161,386987,00.html, 8 februari 1999 |
| [Harr99a] |
K. Harris, Biometrics: An ATM Identification Replacement?, Gartner Advisory Research Note, 5 april 1999 |
| [Harr99b] |
K. Harris, A Guide to Evaluating Biometrics, Gartner Advisory Research Note, 28 april 1999 |
| [Hes99] |
R. Hes, T.F.M. Hooghiemstra en J.J. Borking, At face value, On biometrical identification and privacy, Registratiekamer, september 1999 |
| [IBIA99] |
International Biometric Industry Association, Facts About Biometrics, the Biometric Industry, and IBIA, http://www.ibia.org/understa.htm, 28 maart 1999 |
| [ICSA99] |
International Computer Security Association, The Biometrics Industry, http://www.icsa.net, januari 1999 |
| [Keif96] |
R. Keifer, Polygraph versus Voice Stress, http://www.polygraph.org, 11 september 1996 |
| [Kral99] |
J. van Kralingen, C. Prins en J. Grijpink, Het lichaam als sleutel, Juridische beschouwingen over biometrie, ITeR - Centrum voor Recht, Bestuur en Informatisering, http://cwis.jub.nl/~frw/people/prins/bio-nl.htm, 1999 |
| [Kriz99] |
H. Kriz, Boosting Biometric Privacy, Wired News, http://www.wired.com/news/print_version/technology/story/18810.html?wnpg=all, 30 maart 1999 |
| [Loiz00] |
C. Loizos, The identification that you'll never leave home without, Red Herring, http://www.redherring.com/mag/issue58/biometrics.html, 24 september 2000 |
| [Mile99] |
S. Miles, Firm unveils fingerprint ID system, CNet News.com, http://www.news.com/News/Item/0,4,32381,00.html, 12 februari 1999 |
| [Mosk99] |
R. Moskowitz, Are Biometrics Too Good? Network Computing/CMPnet, http://www.techweb.com/se/directlink.cgi?NWC19990125S0017, 15 januari 1999 |
| [News00a] |
Newsbeat.biometrie, Proef: hek met de hand openen, http://newsbeat.dds.nl/nieuws/4.html, 9 juni 2000 |
| [News00b] |
Newsbeat.biometrie, Liever een slot erop, http://newsbeat.dds.nl/nieuws/7.html, 30 juni 2000 |
| [PCMa99] |
PC Magazine editorial, Biometrics: 007-Worthy Security, http://www.zdnet.com/products/stories/reviews/0,4161,2199371,00.html, 8 februari 1999 |
| [Prin00] |
C. Prins, De relativiteit van anonimiteit. De rol van biometrie bij identificatie en verificatie, http://infolab.kub.nl/till/data/topic/mediamar.html |
| [Rand99] |
N. Randall, Biometrics Basics, PC Magazine Online, http://www.zdnet.com/pcmag/stories/reviews/0,6755,392609,00.html, 22 maart 1999 |
| [Rice99] |
J. Rice, A Third Way for Biometric Technology, IS Audit & Control Journal, Volume III, 1999 |
| [SanJ99] |
San Jose Mercury News, Bank will ID its customers by pattern of eye's iris, SiliconValley.com, http://www.mercurycenter.com/cgi-bin/edtools/printpage/printpage.pl, 13 mei 1999 |
| [Spei00] |
M. Speir, U-Match mouse makes biometry easy, Federal Computer Week, 16 augustus 2000, http://www.fcw.com/fcw/articles/2000/0814/web-review-08-16-00.asp |
| [Stee98] |
E. van der Steen, Biometrie: betrouwbare en comfortabele toegangscontrole zonder belemmeringen, Security Management nr. 9, september 1998 |
| [StIV00] |
Stichting IVV, Evaluatieverslag experiment smartcard en biometrie stichting CAD Zwolle e.o., februari 2000 |
| [TK00] |
Tweede Kamer, Lijst vragen en antwoorden over de misbruik van sofi-nummers op Nederlandse reisdocumenten, http://www.parlement.nl/doc/rec/docs/data/lijst_ vr_antw_misbruik_sofinummers_op_nederlandse_reisdocumenten.htm, 18 mei 2000 |
| [Verh99] |
B. Verhoeven, Het lichaam als barcode, De Ingenieur nr. 8, 5 mei 1999 |
| [Viol99] |
B. Violino, A.K. Larsen, B. Davis, More Options For Tighter Security, InformationWeek/CMPnet, http://www.techweb.com/se/directlink.cgi?IWK199990215S0027, 15 februari 1999 |
Terug naar inhoudsopgave
1) Nog wat verder terug in de geschiedenis komen we beeldmerken c.q. namen tegen op hiëroglyfen en kleitabletten. Practisch gezien waren die uniek; het aantal hooggeschoolde staf dat voldoende goed kon beitelen, was beperkt en de sanctie op misbruik was eenvoudigweg doodstraf. Sinds toepassing van die sanctie niet langer acceptabel was, werd het waarborgen van de uniciteit minder goed mogelijk en nam de inzetbaarheid als echtheidskenmerk af. De zegelring kent een vergelijkbaar probleem.
2) 'Fool' zowel duidend op de fouten die een gebruiker kan maken, als duidend op eventueel zijn intentie.
Terug naar inhoudsopgave
Ir.drs. J. (Jurgen) van der Vlugt RE CISA is als IT audit manager werkzaam bij ABN AMRO Bank, Group Audit Corporate Centre.
jurgen.van.der.vlugt@nl.abnamro.com
Met dank aan R.J. Steenkamp voor het webgereedmaken van dit document.
Een samenvatting van een gedeelte van deze white paper is verschenen in Automatisering Gids, 20 oktober 2000.
Uitsluiting: Hoewel het streven was het onderwerp zo volledig mogelijk te behandelen, hebben met betrekking tot diverse aspecten niet alle details en uitwijdingen een plaats kunnen krijgen. Een voorbeeld is (steeds verder groeiende aantal en diversiteit van) het toepassingenbereik. Onjuiste weergave van meningen, oordelen en feitelijkheden, al of niet uit exteren bron, is per vergissing en zonder doel.
Een printvriendelijke versie (RTF-formaat, voor Word) is te downloaden door op deze link rechts te klikken en dan "Save Target As" of "Doel opslaan als" te kiezen.
Terug naar inhoudsopgave
|